Interviews

DJ MPS Pilot: “In Burkina Faso voelde ik me net een freakshow”

DJ mps Pilot

Voor MPS Pilot, in het dagelijks leven Horst Timmers, is wereldmuziek geen term die hij graag achter zijn naam ziet staan. “Je zegt toch ook niet dat iets rood is, als het blauw is? Als je naar mijn sets luistert, is de muziek voor 80% in de studio geproduceerd en vrijwel allemaal elektronisch. Heet het dan nog wereldmuziek? Een cd van mij heet ‘World Grooves & Rhythms from Mars’. Dat komt al dichter in de buurt. Soms draai ik afrobeat, soms triphop, soms dubstep en soms Balkan beats.”

LIMBURG
Timmers groeide op in Limburg in een muzikale familie. “Mijn ouders hebben beiden op het conservatorium zang gestudeerd’, vertelt hij. “Ze luisterden thuis veel naar Italiaanse opera. Nu is dat de enige klassieke muziek die ik niet meer kan aan horen. In mijn jonge jaren luisterde ik zelf veel naar TC Matic (enorm werelds) en de elektronische new wave. Skinny Puppy, Front 242, Neon Judgement, dat soort dingen. Ook heb ik veel naar noise en industrial geluisterd en later naar house. Wat de new wave betreft: Als ik nu electro hoor, dan denk ik vaak: ‘o, jee daar gaan we weer’. Het is allemaal herhaling.”

Op zijn 16e ging Timmers voor het eerst draaien. Gewoon in de lokale kroeg. “Ik draaide van alles en nog wat. Veel new wave. Later ben ik een beruchte tent in Zuid-Limburg gaan draaien: The Flesh Temple. Iedereen daar was gekleed in het zwart. Misschien dat er af en toe iemand in een wit hemd liep. Het was een behoorlijke scene daar, zeker in Zuid-Limburg, maar zelfs tot aan Brussel, Luik en Aken…”

Na zijn middelbare school ging de dj studeren in Amsterdam. “Muziekwetenschappen. Ik wilde graag modern klassiek gaan studeren. Al snel kwam ik op de universiteit in aanraking met de etnomusicologie. Traditionele muziek uit verschillende culturen vond ik direct heel interessant. Ik reisde in die tijd ook veel.“

DJ mps Pilot: "Sfinks vond ik erg leuk"

GRAANSILO
Rond 1995 begon MPS Pilot met het organiseren van concerten en feestjes in De Graansilo in Amsterdam. “Een oud graanopslaggebouw aan het IJ dat gekraakt was, waar ik woonde. In het gebouw hadden we een eigen concertruimte. Er gebeurde echt heel veel in De Graansilo. Het was de enige plek waar ik in het begin draaide. We hadden ook een platenwinkel Werelds, waar we muziek verkochten uit heel de wereld. Die ging over de kop. Achteraf was dat heel goed voor me. Ik werd namelijk gedwongen een alternatief te zoeken. Omdat ik geen zin had voor een baas te werken, besloot ik vol voor het dj’en te gaan. Vanaf 2002 ben ik heel hard gaan werken aan het opzetten van eigen dingen. Van lieverlee kreeg ik steeds meer klussen.”

Timmers draaide al vrij snel in het buitenland. Van het befaamde Festival in the Desert in Mali (2003, 2004, 2008) tot een festival in India (2005). “Het fenomeen dj is nog lang niet overal in het buitenland geaccepteerd”, legt Timmers uit. “Vooral in een live-setting begrijpen ze het niet overal. Op een festival in Burkina Faso voelde ik me net een freakshow. Het publiek dacht alleen maar: ‘wat is dit in godsnaam?’ Ze hadden niet eens in de gaten dat ik muziek stond te draaien. In Afrikaanse landen is een dj iemand die ook heel veel praat. Maar ik doe dat absoluut vrij weinig. In Nederland vinden ze het juist raar als je gaat praten tussen de muziek door.”

BURAKA SOM SISTEMA
In Nederland en Belgie draaide MPS Pilot al op vele grote bekende festivals waaronder Sziget en Lowlands. Waar draait hij graag? “Sfinks vond ik erg leuk. Daar heb ik ook behoorlijk vaak gestaan. Festival Mundial, Lowlands, North Sea Jazz. Overal is het toch weer anders. Je krijgt andere leeftijdscategorieën voor je, andere opleidingsniveaus. Op Lowlands draai ik heftiger dan op North Sea Jazz. Jonge mensen kunnen gewoon meer tegen muziek die wat heftiger klinkt. Buraka Som Sistema zou ik bijvoorbeeld wel op Lowlands draaien, maar niet op North Sea Jazz. Omgekeerd zou ik bijvoorbeeld Fela Kuti niet draaien op Lowlands. Dat grijpt toch niet genoeg bij de ballen. Bovendien zijn die nummers voor de ‘kids’ veel te lang.”

HOOGTEPUNTEN
Als ik vraag naar hoogtepunten moet Timmers even denken. “Poeh…Jaipur in Rajasthan was een erg tof hoogtepunt. Ik draaide daar in een fort net buiten de stad. Je kon zo over de stad heen kijken. In Agadir, Zuid-Marokko heb ik gestaan voor 80.000 mensen. Ik heb daar echt alleen maar regada en moderne raï gedraaid. Heerlijk die nieuwe hippe muziek uit Marokko en Algerije. Normaal vind ik mijn Pioneer cd-spelers best imposant, maar als je voor zo’n massa staat, voel je je toch best nietig. Meestal draai ik in het buitenland een moderne interpretatie van de traditionele muziek daar. Daar moeten ze in sommige landen al best aan wennen. De tweede keer dat ik in Agadir stond, voor dezelfde meute mensen, voelde het publiek me al veel beter aan. Toen waren de mensen er echt al meer aan gewend. Draaien op plekken waar niet veel dj’s komen, zorgt soms voor interessante clashes, maar ook voor hele grote verassingen. Maar naarmate je het vaker doet, wordt het steeds minder vreemd.

In 2008 stond ik voor de derde keer op het Festival of the Desert, midden in de Sahara. Ik had daar al eerder gedraaid in 2003 en 2004. Maar in 2008 was het pas echt goed geregeld. Ook de jonge mensen wisten het nu te vinden. Het was echt heel erg tof. Ik stond in The middle of nowhere op een zandheuvel met een paar speakers, draaitafels en een bouwlamp. Mensen stonden daar echt uren lang in het zand te dansen buiten. Ik zou twee nachten draaien. Daarom had ik de eerste nacht niet gefilmd. De tweede nacht viel, vanwege duizend logistieke problemen, in het water. Erg jammer dat ik geen beelden heb, want het was echt fantastisch.”

Tekst: Patrick van Engelen

Junior Tecla: “Ik moest diep gaan om helemaal Bob te worden”

Junior Tecla

Interview met Philip Junior Tecla van de band Rootsriders

Philip Junior Tecla kruipt nu al zo’n drie jaar in de huid van Bob Marley. Samen met de band Rootsriders trekt hij met de show Babylon by Bus langs de Nederlandse theaters om eer te bewijzen aan de bekendste reggaezanger aller tijden. No Borderz had een gesprek met de zanger.

Hoe is het om op het podium te staan als Bob Marley?
“Echt geweldig! Heel leuk om te doen. En volgens veel mensen – anders was het ook geen succes – klink ik nog vrij goed als mijn held ook. Voor mezelf zit ik het laatste jaar eigenlijk pas echt goed in mijn rol als Bob Marley. Je moet zijn muziek echt op een hele specifieke manier benaderen. In het begin dacht ik dat ik er heel veel van wist, omdat ik mijn leven al naar zijn muziek luisterde. Maar dat bleek niet genoeg. Ik moest er diep gaan om helemaal Bob te kunnen worden. Het laatste anderhalf jaar ben ik heel goed naar hem gaan kijken op op Youtube. Wat doet hij precies? En waarom vinden wij hem zo te gek?”

Wat is je favoriete nummer van Marley?
“Absoluut Concrete Jungle! De baslijn daarvan is geweldig, de koortjes zijn te mooi. Het nummer heeft echt een geweldige sound, al geldt dat eigenlijk voor het hele album Catch a Fire, waar het nummer af komt. Ook mijn favoriete album van hem.”

Groeide je als kind ook op met het geluid van reggae?
“Nee, niet echt. No Woman, no Cry is eigenlijk het eerste wat ik mij kan herinneren. Mijn moeder was meer van Diana Ross en Andy Williams, een hele andere hoek. Op mijn achttiende ben ik me pas echt in Bob Marley gaan verdiepen. Gelijk met mijn eerste jointje.”

Waar luister je naast Bob Marley veel naar?
“Ik ben best breed eigenlijk. Mijn helden zijn Joni Mitchell en Stevie Wonder. Verder luister ik veel naar jazz. Coltrane, Miles, Keith Jarret en mijn held Wayne Shorter. Ik hou eigenlijk alleen niet zo van house. Alleen de beginjaren daarvan waren muzikaal nog wel interessant. Van de nieuwere muziek vind ik John Legend echt een geweldige songwriter. Lauryn Hill vind ik ook helemaal de bom. Op dit moment is mijn favoriete band Morgan Heritage. Die zijn helemaal geweldig. Alles klopt bij hen. Overtuiging, geloof, verhaal, opbouw en muziek.”

Met Rootsriders halen jullie ook instrumenten op voor muzikanten in Afrika. Zijn er al instrumenten uitgereikt?
“Ja, er is een eerste ‘shipment’ gestuurd nu. Ik heb trouwens ook mooi nieuws over dat project. Van Anouk, of althans de fanclub, hebben we afgelopen zondag een cheque van 5000 euro gekregen. Daar zijn we echt heel dankbaar voor. Het kost namelijk heel veel geld om de instrumenten in Afrika te krijgen.“

Hoe zie je je eigen muzikale toekomst?
“Met Rootsriders gaan we het binnenkort wat rustiger aan doen. Dan ga ik meer werken aan mijn eigen project. Dat is totaal andere muziek dan Rootsriders. Wat precies? Ik zou het omschrijven als Caribische popmuziek met Cubaanse latin-jazz invloeden. Door met ‘jazzcats’ te spelen, krijg je echt een compleet andere sound. Maar het blijft pop. De single is al af, maar die breng ik nu nog niet naar buiten. Als alles goed loopt, wordt dat najaar 2010.”

Minyeshu: “Ik weet zeker dat ik een wereldster ga worden”

Minyeshu tijdens haar optreden op Festival Mundial 2010

Geplaatst op 27 december 2010

Komend voorjaar komt het nieuwe album uit van de Ethiopische zangeres Minyeshu. No Borderz had in haar woonplaats Eindhoven een gesprek met haar over haar jeugd, zelfvertrouwen en natuurlijk haar nieuwe cd.

Op haar nieuwe album, dat Mignot (=verlangen) gaat heten, heeft Minyeshu voor het eerst alle nummers zelf geschreven. Een persoonlijke overwinning, want tijdens het maken van haar vorige album (Dire Dawa, 2008) durfde ze dat nog niet aan. “Vroeger werd de weg van mijn leven bepaald door andere mensen.”, vertelt ze. “Ik kon zelf niet beslissen, omdat iedereen zij: zo moet het. Zelfs nog in 2008, bij het maken van mijn vorige plaat, wist ik niet of mijn eigen liedjes wel sterk genoeg waren. Nu heb ik veel meer zelfvertrouwen, ben wakker geworden, voel me groot enhelemaal vrij. De weg naar mijn toekomst zie ik helemaal verlicht. Ik ben niet minder dan de artiesten die aan de absolute top staan. Qua muziek, qua podiumuitstraling en kwaliteit is mijn niveau hetzelfde. Ik weet zeker dat ik een wereldster ga worden.”

Arrogantie
Minyeshu’s woorden moet je niet opvatten als overdreven arrogantie. Het is geen bluf of zelfoverschatting als ze zegt een wereldster te worden. De zangeres weet waarover ze praat. Voordat ze in 1996 in Europa terechtkwam, stond ze namelijk al op de grote internationale podia als danseres en choreografe met het Nationaal Theater van Ethiopië. Ze vertelt: “Hier in Nederland zijn artiesten enorm onder de indruk als ze voor het eerst in Carré staan. Ik vond zo’n grote zaal heel normaal. Met het Nationaal Theater toerde ik al vanaf mijn zeventiende door de hele wereld. We kwamen overal, van Europa tot in de Verenigde Staten. Bovendien… alles wat ik me tot nu toe in mijn leven heb voorgenomen is gelukt. Ik wilde graag met Nederlandse topartiesten zoals Marco Borsato, Anton Goudsmit, New Cool Collective  en het Metropole Orkest optreden en dat is gelukt. Ik wilde graag het podium delen met grote wereldsterren en in december stond ik in Senegal op het World Festival of Black Arts & Cultures met onder andere Baaba Maal, Angelique Kidjo en Youssou N’ Dour.

Ik stond daar op het podium in een stadion voor 50.000 mensen, waaronder de president van Senegal. Dat was een ongelofelijk gevoel, moeilijk te beschrijven, nog meer omdat ik voor mensen uit Afrika speelde. Het was echt emotioneel. “

Dire Dawa
Geboren in het stadje Dire Dawa (Oost-Ethiopië), werd Minyeshu de eerste drie maanden van haar leven opgevoed door haar biologische moeder. Minyeshu: “Nu weet ik wie zij is, maar in mijn jeugd had ik geen idee. Ik herinner me van die tijd dan ook echt helemaal niets.” De kleine Minyeshu kwam terecht in een pleeggezin. “Ook van deze periode weet ik niet veel. Mijn vader, een militair, liet boeren voor hem werken op het land dat hij bezat. Mijn moeder was gewoon huisvrouw.”

Van de grote stad Addis Abbeba, waar Minyeshu later terecht zou komen, had ze in die vroege periode in haar leven nog een zwaar vertekend beeld: “In mijn hoofd zag ik bij ‘Addis’ alleen het huis van mijn oom. Meer was de stad voor mij niet. Het was dus ook erg vreemd toen ik voor het eerst in mijn leven in de hoofdstad kwam. ’Waar is Addis nou?’, vroeg ik aan mijn ouders. Ik zag nergens het huis van mijn oom.” Minyeshu lacht om haar eigen onnozelheid.

Muziek
Als kind was Minyeshu een verlegen meisje. Met muziek had ze nog helemaal niets. Dat ze een bijzonder talent had, kwam niet bij haar op. “Ik was er ook niet in geïnteresseerd. De eerste keer dat ik echt muziek hoorde, was toen ik door een vriendin werd meegenomen naar een show, waar zij moest optreden. Ik stond achter de schermen. Op het moment dat de muziek begon, voelde ik een raar gevoel in mijn maag. Ik werd geraakt recht in mijn hart, het was heel heftig. Ik kan eigenlijk nog steeds niet goed uitleggen wat ik toen voelde. Wat later ging ik nog een keer kijken en leden van de muziekgroep vroegen me of ik ook kwam dansen. Maar toen ik aan mijn ouders vroeg of het mocht, kwam een heel duidelijk ‘nee’.”

Studeren
Muzikanten behoorden in het Ethiopië van de jaren zeventig tot de allerlaagste groep in de samenleving. “Natuurlijk, sterren als Mahmoud Ahmed werden aanbeden, maar dat was een hele andere wereld. Hier in Nederland worden kinderen heel vrij opgevoed, maar dat is daar helemaal anders. Je moest dokter worden. Hard studeren, en dat was het. Uiteindelijk ben ik, ondanks het verbod, toch stiekem gaan dansen. Al was ik er van overtuigd dat ik niets kon. Heel verlegen danste ik de eerste keer mee. Een beetje zenuwachtig heen en weer bewegen, meer was het niet. Na afloop vond ik het best leuk, maar echt superenthousiast? Nee dat was ik niet. Maar ik kreeg te horen dat ik talent had. Voor mij voelde dat heel vreemd. Ik talent? Dat kon toch niet?”

Nationaal Theater
Van het communistische regime dat in die tijd in Ethiopië de scepter zwaaide, was iedereen verplicht ook naast school wat anders te doen. Ook Minyeshu. Daarom kreeg ze uiteindelijk toch toestemming van haar ouders om, na schooltijd, te dansen.

Minyeshu: “Ik heb zes maanden les gehad en langzaam ging ik ook zingen. Ik werd steeds beter en op school werd ik erg populair. Toen het Nationaal Theater, naar een show van ons kwam kijken, vielen ik en nog een paar anderen van onze groep op. We werden gevraagd auditie te doen.”

Het aanbod werd in eerste instantie afgeslagen. De jonge meiden moesten immers hun school afmaken. Minyeshu: “Op mijn zestiende al echt gaan werken, paste niet in mijn toekomstbeeld. Eigenlijk wilde ik doorstuderen. Naar het buitenland. Maar het liep allemaal anders. Na een paar maanden, vroeg het Nationaal Theater weer of we auditie kwamen doen. Ze wilden ons echt heel graag hebben. Na wat nadenken heb ik toen besloten om te gaan. Ik werd aangenomen. ’s Avonds ging ik avondschool doen en overdag danste ik bij het Theater. Op mijn zeventiende trok ik al de hele wereld over, samen met de grootste Ethiopische sterren. Het was echt een fantastische tijd.”

In 1996 kwam Minyeshu tijdens een tour met het Nationaal Theater in België terug. Maar terug konden ze niet meer. “Het regime was veranderd en was heel nadelig voor artiesten. Ik zat vast in Europa en heb asiel aangevraagd. Het was niet mijn eigen keuze. ”

Als je haar zo hoort praten, zou je denken dat ze eigenlijk nog het liefst op het podium zou staan met het Nationaal Theater. Is dat ook zo? Ze glimlach licht verlegen: “Ja, eigenlijk wel. Mijn grote droom is om ooit nog een keer met de artiesten van toen op het podium te staan. “

Nieuwe album
Op haar nieuwe album gebruikt Minyeshu grotendeels dezelfde ingrediënten als op haar vorige plaat. “Alleen is het beter uitgevoerd. De kwaliteit is hoger”, vertelt ze. “Al is de stijl, als ik er nu zo over nadenk, ook wel wat veranderd. Ethiopië is groot en er zijn heel veel stijlen. Elke stam maakt weer net wat andere muziek. Naast traditionele elementen uit heel Ethiopië, voeg ik ook zelf wat toe. Als je naar de muziek op de bekende cd-serie Ethiopiques luistert, hoor je invloeden uit de blues en de jazz. Maar als muzikant denk je helemaal niet aan verschillende stijlen. De klanken komen in het onderbewuste naar buiten. Qua Ethiopische instrumenten gebruiken we op het nieuwe album opnieuw Mazinko (Ethiopische luit, red.). Een computer gebruik ik niet.

Dat is niets voor mij. Wel wil ik nog graag strijkers op het album. Maar die hebben we nog niet opgenomen. Welk nummer op het nieuwe album er voor mij er echt uitspringt? Er is een liedje, dat ik in twee dagen heb geschreven, Black Ink. Het is een krachtig, positief nummer over de invloed die wij als Ethiopisch volk overal op de aarde hebben achtergelaten. De eerste mens die archeologen hebben gevonden, Lucy, kwam uit Ethiopië. De ideeën, rivieren, kleuren uit Afrika zijn daarna uitgevloeid over de hele wereld en hebben zich met het blanke en gele ras vermengd. ”

Boeiend onderwerp voor een liedtekst, nietwaar? Maar als je ook de andere teksten van het nieuwe album wilt begrijpen, kom je van een koude kermis thuis. Zelfs als je alle tachtig Ethiopische talen en dialecten die er bestaan, vloeiend zou kunnen verstaan, is het nog onmogelijk de boodschap te ontrafelen. Minyeshu heeft namelijk haar eigen taal verzonnen, met klanken uit de talen van Ethiopië. “Waarschijnlijk geloven ze in Ethiopië zelf ook dat ik bestaande woorden gebruik”, vertelt ze. “Zo sterk lijken de klanken van mijn fantasietaal op echte woorden. Toch zit er wel degelijk een betekenis in mijn teksten. De klanken die ik heb verzonnen, komen recht uit mijn hart. Ze zitten heel diep.”

Tekst: Patrick van Engelen

Wim van der Meer: “De Indiase muziek gaat me nooit vervelen”

Wim van der Meer

AMSTERDAM – Een groot deel van de wereldmuziekkenners in Nederland is lid van de Bake Society, een vereniging voor etnomusicologie. Afgelopen jaar bestond de vereniging 25 jaar en ter ere daarvan hadden wij een gesprek met Wim van der Meer, zanger, docent aan de Universiteit van Amsterdam en voorzitter van de Bake Society.

“De Bake Society is opgericht op 21 december 1984”, vertelt Van Der Meer. “Op de universiteit hield het instituut Jaap Kunst zich bezig met etnomusicologie, de klanken die we tegenwoordig wereldmuziek noemen. Het instituut was een puinhoop. Mensen die er waren afgestudeerd maakten zich zorgen over de toekomst van het vak. Om wat meer leven in de brouwerij te brengen is toen besloten een vereniging op te richten. De naam Bake Society komt van Arnold Bake, een bekend onderzoeker.

Onze vereniging is niet heel groot. Ik denk dat we zo’n 130 leden hebben, voornamelijk Nederlanders. Onze belangrijkste bezigheid is muziek bestuderen. Dat doen we door stukken te schrijven, maar er werken bijvoorbeeld ook mensen bij de Concertzender. Veel van de leden van onze vereniging zwerven de hele wereld rond. Zo hebben we specialisten in muziek uit Mongolië, Tadzjikistan en Congo. Ook Nederlandse muziek wordt onderzocht, bijvoorbeeld over het levenslied uit de Jordaan. De muziekwetenschap keek vroeger voornamelijk naar Europese klassieke muziek. Nu wordt naast de wereldmuziek die wij onderzoeken ook studies gedaan in bijvoorbeeld popmuziek.

In hoofdzaak is de Bake Society een netwerk. We komen een aantal keer per jaar bij elkaar tijdens congressen en lezingen. We vertellen elkaar wat de laatste tijd hebben gedaan.”

WERELDMUZIEK
Wat vindt de professor van de term wereldmuziek? “Ik hou niet zo van die benaming voor zoveel verschillende soorten muziek. Maar er hoeft wat mij betreft ook geen nieuwe benaming te komen. De term muziek vind ik prima. Wereldmuziek werd in de jaren ’80 bedacht door de platenindustrie. Er waren bakken in de winkel voor pop, klassiek en jazz, maar waar moest de rest naartoe? Toen hebben ze ook een bak gemaakt voor alle niet-westerse muziek. Maar dat is zo divers. Wereldmuziek gaat van muziek uit de Schotse hooglanden tot de volksmuziek uit China. Maar als ze in China een klassiek stuk spelen komt het weer in de bak klassiek terecht. Er is een bekend artikel op internet, geschreven door David Byrne: I Hate World Music. Wat Byrne haat, is niet de muziek, maar het feit dat in die vergaarbak van wereldmuziek altijd maar alles in wordt gestopt, omdat je het niet ergens anders kunt zetten. Ik ken een paar Nederlanders die in Kenia of Tanzania met lokale rappers bezig zijn. Hun doel is uiteindelijk om die jongens in de bak rap/hiphop terecht te laten komen. In die sectie van de winkel, verkoop je veel meer dan als je als wereldmuziek bent gelabeld. Dat is keiharde werkelijkheid.

Maar goed, dat zijn platenzaken. Op internet hoef je gelukkig niets in een bak te zetten. Je tikt op Google iets in en krijgt alles wat je wil hebben. Als mensen zeggen: ik hou van wereldmuziek, dan houden ze meestal van een vorm van wereldmuziek. Heel populair zijn de Latijns-Amerikaans en Afrikaanse muziek. Maar ook bijvoorbeeld muziek uit de Balkan, wat we ook onder de wereldmuziek scharen. Een paar jaar geleden stond in het Concertgebouw Goran Bregovic. Helemaal uitverkocht. Maar na verloop van tijd zakt zo’n trend ook weer weg. We hebben zoveel aanbod in Nederland. Je weet vaak niet wat je kiezen moet. In Amsterdam heb je enorm veel zalen die wereldmuziek programmeren. In Utrecht heb je Rasa en in Den Haag Corso. En dan heb ik het nog niet eens gehad over alle festivals.”

INDIA
Van der Meer reisde vroeger veel, met name naar India. “Als ik alles bij elkaar optel, heb ik zo’n 10 jaar in India geleefd, maar dat was vooral in de jaren ’70. Tegenwoordig ga ik niet zo lang meer, maar dat hoeft ook niet meer omdat ik er al zo vaak geweest ben. In een paar weken India, weet ik wel weer wat er gaande is. India is dan ook mijn specialiteit. Ik hou me ook met Brazilië bezig, maar van Indiase muziek weet ik het meest.

Voor jonge mensen die muziek willen bestuderen, is het heel belangrijk om ook een wat langere tijd in het buitenland te verblijven. Je kunt best veel leren tijdens colleges. Maar om een muzieksoort echt te leren kennen, moet je een leraar hebben. Improviseren leer je niet uit een boek of van het luisteren naar cd’s. Je kunt nabootsen wat je hoort, maar daarmee ben je er niet. Alleen een leraar kan uitleggen hoe je improviseert.”

Kooptip: The Raga Guide

Is er een goed Nederlandstalig boek dat Van der Meer kan aanraden voor de beginnende Indiase muziekluisteraar? “In 1980 heb ik samen met Joep Bor er een leuk boekje over geschreven. Ook is er een boek geschreven door Ger Storms. Een goede Engelstalige aankoop voor de beginner is The Raga Guide, een box met 4cd’s vol fragmenten, ook verkrijgbaar op Amazon.”

Van der Meer is zelf ook een geoefend zanger: “Ik zing alleen maar Indiase muziek. Helaas is dat met mijn werk soms lastig te combineren. Maar tijdens mijn lessen kan ik me soms toch even uitleven. Vanuit het grote publiek is er voor Indiase muziek tegenwoordig betrekkelijk weinig belangstelling. Maar ik blijf zingen en er naar luisteren. De Indiase muziek gaat me nooit vervelen.”

Van der Meer kwam in de jaren zestig in aanraking met de Indiase muziek. “Het was nog voor de tijd dat The Beatles door hun samenwerking met Ravi Shankar de muziek populair maakte. Ik luisterde naar van alles via de radio. Indiase, Arabische maar ook Afrikaanse muziek. Op de korte golf kon je van alles ontvangen.

Door de hausse aan aandacht rond Shankar en The Beatles kwam er vraag naar Indiase muziek. Een paar platenhandels in Amsterdam hebben daar toen heel goed op ingespeeld en hebben echt honderden lp’s laten komen. Ik had op een gegeven moment een stuk of 50 lp’s en vrienden hadden weer andere. We ruilden dingen met elkaar en hoorden zo best veel. Het was in de periode net voor ik naar de universiteit zou gaan. Uiteindelijk heb ik gekozen voor antropologie. Waarschijnlijk heb ik die interesse van thuis mee gekregen. Mijn vader heeft gevaren en was her en der in de wereld geweest. Hij nam geen muziek mee, maar had er wel veel verhalen over. Dat heeft bij mij de belangstelling gewekt. Naar Braziliaanse muziek ben ik pas later gaan luisteren. Ik hoorde op de radio een zangeres Gal Costa en werd helemaal gegrepen, een geweldige zangeres. Ik ben een enorme bewonderaar van haar. Wat een prachtige stem en expressiviteit.”

RADIO
Van der Meer: “We hadden in het verleden fantastische programma’s op de radio met wereldmuziek en dat verdwijnt allemaal. De politiek vindt dat de scene zichzelf maar moet bedruipen. Dat brengt met zich mee dat er alleen wordt gedraaid wat lekker verkoopt. Ik vond zelf de radioprogramma’s, zoals dat bijvoorbeeld van Walter Schlossen, De Wandelende Tak, echt geweldig. Je hoorde heel verrassende dingen. Een van de fantastische dingen van radio is dat je dingen hoort die je niet kent. Als ik een cd uit de kast pak, weet ik welke muziek ik ga horen. Op youtube weet ik ook waar ik naar zoek. Bij de radio heb je dat niet en daardoor wordt je vaak verrast. Het is erg jammer dat dat verdwijnt.”